Stikstof problemen. Deel 3.

Overgenomen, met toestemming, uit
"VOEKSNIEUWS",
het magazine voor gepensioneerden van SHELL.

ANTON BARENDREGT, energietransitie.nl







In mijn stikstofverhaal in het vorige nummer kon ik één belangrijk aspect door ruimtegebrek niet belichten: hoe worden die stikstofvolumes gemeten en gerapporteerd? Het is een onderwerp waar de niet-technische journalisten zich verre van houden, mede omdat de rapportages van (of gesponsord door) het ministerie van Volksgezondheid en Milieu onleesbaar zijn. Een cynicus zal opmerken dat dat ook de bedoeling is: wie een tekst niet begrijpt kan er ook geen lastige vragen over stellen. Een voorbeeld: in een jaarrapportage van het aan het ministerie verbonden RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) met als titel: ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ zal uit de titel alleen niet duidelijk zijn om wat voor concentraties en deposities dit gaat. Als blijkt dat het hier de stikstofproblematiek betreft verwacht men duidelijke kaarten met, zoals de titel zegt, luchtconcentraties en depositiedichtheden van NH3 en NOx. Maar dat zou te makkelijk zijn. In plaats daarvan vindt men slechts één kaartje met voor 2020 het verschil in concentraties tussen twee verschillende extrapolatiemethodes van de gegevens van 2018 en 2019. Desondanks is dat een aardig plaatje en ik geef het u hierbij gratis mee. Je kunt er alleen niets uit afleiden.
NOx toename 2020 Toch is het niet allemaal kommer n kwel. Er zijn elders wel kaartjes te vinden die wat meer begrijpelijk zijn, zoals het ‘Vermestende depositie’-kaartje uit 2017. Daarop zijn agrarische kernen zoals Barneveld en stedelijke kernen goed te onderscheiden, ook al zijn de weergegeven eenheden weer niet compatibel met de ‘kton N’ in het tabelletje van m’n vorige stukje. Voor de preciezen: 2000 (gram)mol N/ha komt overeen met 2x14 = 28 kg N/ha. Maar hoe gaat zo’n model-evaluatie in zijn werk? Voor iedere bron (NH3 of NOx) wordt een zogenaamde ‘pluim’ gegenereerd. Dit is een beschrijving van de locatie(coördinaten) van de bron, de jaarlijkse uitstootstroom van NH3 en/of NOx en vervolgens de neerslag/depositiedichtheid van dat NH3 en NOx rond de bron als functie van de afstand tot die bron. Klinkt ingewikkeld misschien, maar het bijgaande grafiekje kan het wellicht verduidelijken.
NH3 Depositie rond de stal

Het plaatje beschrijft de depositie van NH3 rond een stal met vee. Dicht bij de bron zal de neergeslagen hoeveelheid groter zijn dan verder weg. Bij windstil weer krijg je dus een soort ‘circustent’ van naar buiten geleidelijk afnemende deposities. Het verhaal wordt helaas nog complexer. NH3 is een licht gas, lichter dan lucht, en het zou dus moeten stijgen, maar dat doet het niet, of nauwelijks. Het verbindt zich namelijk snel met watermoleculen in de lucht en wordt daarmee zwaarder, zodat het al betrekkelijk snel neerslaat. Als het regent gaat dit nog sneller. Bovendien wordt NH3 bij contact met gewassen ook snel geabsorbeerd. Het gas zal dus maar een betrekkelijk klein verspreidingsgebied hebben. vermestende depositie Dit is anders bij NOx. Hoewel dit gas in het algemeen zwaarder is dan lucht, verwaait het gemakkelijk omdat het minder reactief is dan NH3. Bovendien ontstaat het bij verbrandingsprocessen, is dus heet bij uitstoot en zal daardoor in eerste instantie stijgen. De ‘circustenten’ rond uitstotende industrieën en de ‘markiestenten’ van de autowegen en rivieren, zullen daarom veel breder zijn dan bij NH3 het geval is. Verder is het zo dat NOx, uitgestoten op grotere hoogte (denk aan Schiphol!) volledig verwaait en binnen ons land nauwelijks meer neerslaat. Het wordt in de modelberekeningen daarom niet meegenomen. Een grote bron van frustratie voor de boeren!

tenten

De beheerder van al die ‘tenten’ is het RIVM in Bilthoven. Dit instituut verzamelt de gegevens van alle bekende bronnen in ons land en telt hun effecten op met een gedetailleerde kaart. Dat geeft dus een kaart met depositiewaarden (in kg N/ha). Die waarden worden vergeleken met elf meetpunten, verspreid over het land. Oud-petroleum engineers uit de upstream herkennen hier de observatieputten in het simulatiemodel! De ‘match’ tussen model en waarnemingen is slechts globaal. Het RIVM schat een nauwkeurigheid van ca. 30%. Daarnaast vinden gedetailleerde metingen plaats in elk van de ca. 150 Natura 2000 gebieden. Het resultaat is dan een plaatje zoals de geel/ oranje kaart van 2017 hierboven. Die van 2019 is nog geheim… Ondertussen wordt er hard gestudeerd op verdere maatregelen ter bestrijding van het stikstofprobleem. Ik las zelfs in de krant dat onze minister van Milieu in stilte in onderhandeling is met Brussel over het schrappen van een aantal van die Natura 2000 gebiedjes. Zou zij ‘Voeksnieuws’ lezen?

VOEKSNIEUWS NR 02 febr. 2020